Zi­bür­ken in het Nedersaksisch

Uitspraak: /t͡sɪ·bʏ͡ɐkn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Zi·bür·ken
Plural: Zi­bür­kens n dat Zi­bür­ken
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
[2]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
[3]
perifere woordenschat
historisch
Nedersaksisch:
Engels:
=
cibory
Duits: