Kni­cker in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈknɪ·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kni·cker
Plural: Kni­ckers m de Kni­cker
[1]
geavanceerde woordenschat
Examples:
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: knicken + -er