Kran­ken­schien in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈkɾankn̩ˌʃiːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kran·ken·schien
Pluralis: Krankenschiens m de Kran­ken­schien

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: krank + Schien