To­puus­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈtɔu̯ˌpuːs·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: To·puus·ter
Pluralis: Topuusters m de To­puus­ter
[1]
perifere woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: to + puusten + -er