e­nig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛː·nɪç/
bijwoord
Afbreking: e·nig
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
=
einig
Examples:

Phraseologismen/Woordcombinaties:

enig warrn
[2]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: een + -ig