Wed­der­lüch­ten in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɛ·dɐˌlʏçtn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wed·der·lüch·ten
n dat Wed­der­lüch­ten

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Wedder + lüchten