Wand­klock in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvantˌklɔk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wand·klock
Plural: Wand­klo­cken f de Wand­klock
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Wand + Klock