Nacht­jack in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈnaxtˌjak/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Nacht·jack
Plural: Nacht­ja­cken f de Nacht­jack
[1]
perifere woordenschat
[2]
perifere woordenschat
figuratiev
Nedersaksisch:
Engels:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Nacht + Jack