sach­ten in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈzaxtn̩/
bijwoord
Afbreking: sach·ten
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
=
sanft
sacht
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: sacht + -en