Mus­sel­wed­der in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmʊ·səlˌvɛ·dɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Mus·sel·wed·der
n dat Mus­sel­wed­der
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: musseln + Wedder