Mid­del­rüg­g in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmɪ·dəlˌɾʏɡ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Mid·del·rügg
Plural: Mid­del­rüg­gen m de Mid­del­rüg­g
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: middel + Rügg