Dummsnuut in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdʊmˌsnuːˑt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dumm·snuut
Plural: Dummsnu­ten f de Dummsnuut
[1]
perifere woordenschat
actief
gebruikt in omgangstaal
negative
Waarschuwing: deze onderbeduiding is een negatieve uitdrukking en zal in een neutrale context wal beter niet gebruikt worden.
Nedersaksisch:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: dumm + Snuut