Pott­vull in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɔt·fʊl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pott·vull
Plural: Pott­vull m de Pott­vull
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Pott + vull