un­dicht in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ʊnˈdɪçt/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: un·dicht
undichter undichtst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
lek
Engels:
Duits:
Examples:
Dat Boot is undicht! Wi mööt pütten!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: un- + dicht