Striet­wa­gen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstɾiːtˌvɔːɡn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Striet·wa·gen
Plural: Striet­wa­gen m de Striet­wa­gen Märkisch
Plural: Striet­wa­gens m de Striet­wa­gen Nordniedersächsisch
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
De olen Persers hebbt Strietwagens bruukt.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Striet + Wagen