Bi­fall in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbiːˌfal/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bi·fall
m de Bi­fall
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: bi + Fall