Hoof­ie­sen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔu̯fˌiːzn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hoof·ie·sen
Plural: Hoof­ie­sen n dat Hoof­ie­sen
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Hoof + Iesen