Kum­man­dant in het Nedersaksisch

Uitspraak: /kʊ·manˈdant/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kum·man·dant
Plural: Kum­man­dan­ten m de Kum­man­dant
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: kum-