meis­ten­deels in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmaɪ̯stn̩ˌdɛːls/
bijwoord
Afbreking: meis·ten·deels
[1]
geavanceerde woordenschat
Examples:
Meistendeels maak ik dat Geschirr rein.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: veel + Deel