Ge­schirr in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌʃɪ͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·schirr
Niet gebruikt het pluralis n dat Ge­schirr
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Examples:
Legg dat Peerd man dat Geschirr an.
[3]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ge- + schirrn