pass­lich in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpas·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: pass·lich
passlicher passlichst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: passen + -lich