Schaap­stall in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɔːpˌstal/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schaap·stall
Plural: Schaap­ställ m de Schaap­stall
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schaap + Stall