Geld­knipp in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛltˌknɪp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Geld·knipp
Plural: Geld­knip­pen f de Geld­knipp
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Geld + Knipp