ka­put­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /kɔːˈpʊ·tɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: ka·put·tig
kaputtiger kaputtigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:
Examples:
Mien neet Mobiltje is al kaputtig. Dat geiht nich mehr an.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: kaputt + -ig