Öö­sch­fall in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈœɪ̯ʃˌfal/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Öösch·fall
m de Öö­sch­fall
[1]
perifere woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ööschen + Fall