We­kens­tiet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɛː·kənsˌtiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: We·kens·tiet
Plural: We­kens­tiet f de We­kens­tiet
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Week + Tiet