Har­kels in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈha͡ɐ·kəls/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Har·kels
Niet gebruikt het pluralis n dat Har­kels
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: harken + -els