Queeskopp in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkvɛːzˌkɔp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Quees·kopp
Plural: Queesköpp m de Queeskopp
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Quees + Kopp