An­loop in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈanˌlɔu̯p/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: An·loop
Plural: An­lööp m de An­loop
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: an + Loop