Borg­wall in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔ͡ɐçˌval/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Borg·wall
Plural: Borg­wäll m de Borg­wall
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Borg + Wall