Eh­ren­dok­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛː·ɾənˌdɔk·təɾ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Eh·ren·dok·ter
Plural: Eh­ren­dok­ters m de Eh­ren­dok­ter
[1]
geavanceerde woordenschat
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Ehr + Dokter