Bin­nen­mi­nis­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɪn̩·mɪˌnɪs·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bin·nen·mi·nis·ter
Plural: Bin­nen­mi­nis­ters m de Bin­nen­mi­nis­ter
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: binnen + Minister