Wa­ter­bud­del in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɔː·tɐˌbʊ·dəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wa·ter·bud·del
Plural: Wa­ter­bud­deln f de Wa­ter­bud­del
Plural: Wa­ter­bud­dels m de Wa­ter­bud­del
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Lang mi maal de Waterbuddel, ik heff Döst!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Water + Buddel