las­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈlas·tɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: las·tig
lastiger lastigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Voorbeelden:
Dat Gahn fallt mi lastig.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Last + -ig