Wa­terspe­gel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɔː·tɐˌspɛː·ɡəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wa·ter·spe·gel
Plural: Wa­terspe­gels m de Wa­terspe­gel
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Water + Spegel