nee­schie­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈnɛː·ʒiː·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: nee·schie·rig
niewi-schieriger niewi-schierigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Examples:
Ik bün al neeschierig, wat ik to Wiehnachten krieg!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: nee + -ig + nee + -ig