Muul­aap in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmuːlˌɔːˑp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Muul·aap
Plural: Muul­a­pen m de Muul­aap
[1]
geavanceerde woordenschat
figuratiev
Nedersaksisch:
[2]
geavanceerde woordenschat
naam van en biologische species
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
[3]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Muul + Aap