Weh­daag in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɛː·dɔːˑç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Weh·daag
Niet gebruikt het pluralis f de Weh­daag
Niet gebruikt het pluralis m de Weh­daag
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: weh + -daag