Ho­pen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔu̯pm̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ho·pen
Plural: Ho­pens m de Ho­pen
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
a lot
Duits:
Examples:
Wi hebbt dor en Hopen Arbeit mit.

Etymologie:

Woord afleidt van: Hoop