Waf­felie­sen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈva·fəlˌiːzn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Waf·fel·ie·sen
Plural: Waf­felie­sen n dat Waf­felie­sen
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Engels:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Waffel + Iesen