Spaaß in het Nedersaksisch

m de Spaaß
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
fun
Duits:
Voorbeelden:
Wat hebbt wi Spaaß hatt!
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Dat weer man en Spaaß.