Pan­nen­steert in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpan̩ˌstɛː͡ɐt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pan·nen·steert
Plural: Pan­nen­steer­ten m de Pan­nen­steert
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Pann + Steert