Gnub­bel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡnʊ·bəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Gnub·bel
Plural: Gnub­bels m de Gnub­bel
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Steed, de ut de Ümgegend rutsteiht
Duits: