Lehr­tiet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈlɛː͡ɐˌtiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Lehr·tiet
Plural: Lehr­tie­den f de Lehr­tiet
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Lehr + Tiet