Balk­haas in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbalkˌhɔːˑz/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Balk·haas
Plural: Balk­ha­sen m de Balk­haas
[1]
geavanceerde woordenschat
figuratiev
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Balk + Haas