hand­saam in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhant·zɔːm/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: hand·saam
handsamer handsaamst
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
passlich, goot to Hand
Duits:
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Hand + -saam