öhr in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈøːy̯ɾ/
voornaamwoord
[1]
basiswoordenschat
Examples:
Ik heff öhr dat Book geven.
[2]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Genitiv to se
Engels:
Duits:
ihr
Examples:
Tine öhr Söhn heet Jan.
[3]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
her
Duits:
sie
Examples:
Ik heff öhr fraagt.
[4]
geavanceerde woordenschat
[5]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
[6]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch: