de in het Nedersaksisch

Identieke woorden ››› de ❔︎ de ❔︎ de ❔︎ de ❔︎
[1]
basiswoordenschat
Voorbeelden:
Hebbt ji jo al wedder streden? — De is schuld!
[2]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Demonstrativpronomen Nominativ Plural
Voorbeelden:

Etymologie:

Woord afleidt van: de