schab­big in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃa·bɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: schab·big
schabbiger schabbigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Wat büst du för’n schabbigen Keerl.
[2]
geavanceerde woordenschat
Examples:
De Hund süht ja man schabbig ut.

Etymologie:

Woord afleidt van: -ig