Pra­cher­har­barg in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɾa·xɐˌha͡ɐ·ba͡ɐç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pra·cher·har·barg
Plural: Pra­cher­har­bar­gen f de Pra­cher­har­barg
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Pracher + Harbarg